Vlaanderen is rijk aan abdijen, kathedralen, kerken en kapelletjes. Uniek zijn de middeleeuwse begijnhoven. In 1998 besloten afgevaardigden van de Unesco om dertien van de karakteristiekste Vlaamse begijnhoven op de lijst van Werelderfgoed te plaatsen.
Dat is een grote eer. Alleen de belangrijkste monumenten ter wereld zoals de Acropolis in Athene, de pyramides van Gizeh, de Borobudur en het paleis van de Chinese keizer in Peking hebben een plaats op die lijst veroverd. Daarmee kunnen ze rekenen op de financiële steun en bescherming van alle aangesloten landen.
De uitverkoren begijnhoven vormen in Vlaamse steden schilderachtige plaatsen van rust en bezinning. En hoewel er geen nieuwe roepingen zijn - de laatste begijnen slijten hun dagen in verzorgingstehuizen - is de religieuze sfeer er behouden gebleven.
Sinds ik het bericht van de Unesco had gelezen, wil ik een tocht langs de dertien uitverkoren begijnhoven maken.
'Dertien is wel erg veel, ' zegt mijn man praktisch met de autokaart in zijn handen. 'Bovendien hebben we er al een aantal bezocht.'
Hij noemt op: 'Brugge,' en meteen loop ik in gedachten de brug van het Minnewater over, hoor ik de duiven koeren op het met bomen beplante binnenplein.
Hij vervolgt: 'Leuven, Mechelen, Dendermonde..' en ik herinner me de begijnenstraatjes van de gotische universiteitsstad, de barokke Mechelse conventen, de witgekalkte huisjes van de stad van de Vier Heemskinderen. Ik kijk op de lijst: 'Het begijnhof van Turnhout kennen we niet. Dat van Kortrijk ook niet.'
Om te voorkomen dat we kris kras door Vlaanderen gaan toeren kiezen we voor de bewegwijzerde Abdijenroute (TFPA). Deze 95 km lange tocht door de Kempen is op zich iets om je uitgebreid op te verheugen. Drie machtige Norbertijnenabdijen - die van Postel, Averbode en Tongerlo - zijn prestigieuze bezienswaardigheden. Pareltjes van begijnhoven in Turnhout, Diest, Lier, Gent en St. Amandsberg en Hoogstraten liggen er als een krans omheen. We zetten een tas vol informatieve boeken in de achterbak van de auto. Deze tocht zal me de gelegenheid geven in het voetspoort te treden van de middeleeuwse mystica Beatrijs van Nazareth, één van de vrouwen die aan de wieg stond van de begijnenbeweging. Ze heeft ons bovendien de mooiste teksten nagelaten. Haar Seven Manieren van Minne leg ik bovenop in mijn koffertje.

Turnhout

begijnhoven3

Turnhout, de hoofdstad van de Kempen, ligt zo dicht bij de Nederlandse grens dat we al vroeg op de Grote Markt in de najaarszon op een terras zitten. De façade van de gotische Sint Pieterskerk rijst voor ons op en ergens uit de hoge hemel dwarrelen de klanken van een klokkenspel neer. Op weg naar het eerste begijnhof passeren we een zijstraatje waardoor we de toegangspoort van het indrukwekkende Kasteel Turnhout zien liggen. Het is erg verleidelijk om de brug over te lopen maar we hebben ons voorgenomen uitsluitend over vrome bodem te gaan en vervolgen de Begijnenstraat. Dan verschijnt aan de linkerkant een stenen poort uit 1700 die toegang geeft tot het Begijnhof van Turnhout. We belanden in een sfeer van verstild verleden. De bakstenen en witgekalkte huisjes rijen zich langs met gras beplante pleintjes. Overal zijn plekjes gecreëerd voor gebed: onder de bomen staat een calvariebergje en wat verderop is de grot van Lourdes nagemaakt. Tientallen electrische kaarsenlichtjes branden om de beeltenis van de Madonna in haar witte jurk met blauwe ceintuur.
We dwalen nu afzonderlijk door het devote paradijsje. In een bescheiden boomgaard liggen wat schapen te herkauwen. Ik probeer het Begijnhofmuseum binnen te komen. Het moet o.m. een mooi ingerichte keuken met oud koper, tin en aardewerk hebben. Maar het museum gaat pas 's middags open. Aan het einde van het langwerpige begijnhof zie ik de begijnhofkerk liggen. En daar is Wim: hij voert bij de open deur van een huisje een levendig gesprek met een stokoude vrouw: 'Nee meneer,' hoor ik haar hoofdschuddend zeggen, 'ik ben geen begijntje. Onze laatste begijn is nu drieënnegentig jaar. Ze woont in een tehuis.'
'Ja, daar zit ze veilig,' knikt hij begrijpend.
'Het is hier anders overal veilig,' antwoordt ze, 'om tien uur gaat de poort toe en dan kan er niemand meer in of uit. Om zeven uur 's morgens doet de poortwachter hem weer open.' Ze verdwijnt in haar huisje dat de naam van een heilige draagt.
We slenteren verder over de kasseitjes en maken kennis met de beeltenis van de Heilige Nepomuk die in 1393 in Praag stierf. Beschermheilige tegen eerroof en kwaadtongerij, vermeldt een bordje. Ik weet niet of Nepomuk het hier druk heeft gehad; de lijfspreuk der begijntjes was multum facere, parum loqui ofwel: veel doen, weinig spreken.
Nabij de poort is een grote kopie te zien van de plattegrond van het begijnhof die in 1666 door Lucas Vorsterman in koper werd gegraveerd. Opdrachtgeefster was de Vrouwe van Turnhout Amalia van Solms prinses van Oranje Nassau, die er driehonderd gulden voor betaalde.
Wim raakt ondanks zijn protestantse opvoeding gecharmeerd van een Mariabeeld in de heiligennis boven de poort. En dan praten we over Jozef en Maria, over Adam en Eva in het paradijs en dat je helemaal niets van de betekenis van schilderijen als die van Rembrandt of Jeroen Bosch zou begrijpen, als je het Oude- en Nieuwe Testament niet kent. Onderweg in de auto draaien we een cd met de Petite Messe Solemnelle van Rossini. Het opwindende Kyrië eleison (Heer ontferm u over ons) zingen en stampen we luidkeels mee en bedenken dat je ook een groot deel van de mooiste muziek niet zou begrijpen zonder een beetje kennis van de oude liturgie.

Postel

Pater Nicolaas ontvangt ons precies op de afgesproken tijd in de nabije abdij van Postel. Hij draagt een witte habijt met een witte schoudermantel. De Norbertijnen worden ook wel 'witheren' genoemd vanwege hun voorliefde voor witte kleding en witte, lichte interieurs. Vergeleken bij andere kloosterordes zijn ze opvallend optimistisch van aard.
In de eerste helft van de twaalfde eeuw werd Postel gesticht. De stemmige romaanse abdijkerk, waarin de bezoekers drie maal per dag de getijden kunnen meebidden, dateert nog uit de vroegste periode. Pater Nicolaas leidt ons rond en toont niet alleen de plaatsen die de bezoekers onder leiding van de VVV gids kunnen bezoeken, zoals de gastenverblijven, de beiaardtoren, de oude bierbrouwerij maar ook de interieurs van de besloten abdij. We zijn overrompeld door de schoonheid van de spierwitte refter, getooid met stucwerk in Lodewijk XV stijl. Het begrip 'witheren' krijgt steeds meer betekenis. De oude kapittelzaal en de sacristie bergen kunstschatten in de vorm van met goud bestikte misgewaden en verguld kerkzilver. De grootste verrassing vormt de - voor alle bezoekers toegankelijke - toonzaal van de abdijbibliotheek. Daar liggen o.m. middeleeuwse miniaturen, een zeventiende eeuwse atlas van Blaeu en de zware polyglotbijbel van Christoffel Plantijn open onder glas. De prachtig gekleurde rupsen en vlinders van Maria Sybilla Meriam vormen in deze omgeving een lofzang op hun Schepper.
De abdijen hebben door de eeuwen heen de cultuur weten te bewaren en tot ontwikkeling gebracht. In Postel wordt die traditie zoveel mogelijk voortgezet: er is een kruidentuin aangelegd waar voornamelijk geneeskrachtige kruiden zijn geplant. In een openstaande schuur wordt de bezoeker geïnformeerd over de krachtige werking van de giseng-wortel. Tegen half twaalf verontschuldigt pater Nicolaas zich: hij moet naar het koor voor de Eucharistieviering.
In de kleine kerk is het op deze doordeweekse dag stampvol. Mannen, vrouwen, bejaarden en moeders met kinderen knielen neer. Op het koor staan minstens vijfendertig Norbertijner paters en - broeders. De priesters onder hen dragen in communio de heilige mis op. Als bromvliegen onder de stenen bogen stijgen en dalen hun stemmen. Na drie kwartier verlaten de koorheren de kerk en ook wij gaan stil naar buiten. Wandelend door de omringende bossen overpeins ik, dat er in de eeuwenoude rituelen van de koorheren jammer genoeg geen rol is weggelegd voor de vrouw. Het was in deze strenge mannenwereld dat begijnen zich rond inspirerende vrouwen als Beatrijs van Nazareth groepeerden. Ze kozen niet voor een klooster, legden geen eeuwige geloften af maar leidden als ongehuwden of weduwen een onafhankelijk maar solidair bestaan van gebed en goede werken binnen een omsloten hof. Ze zorgden voor hun eigen levensonderhoud door te weven, spinnen en kantklossen.

begijnhoven1

De clerus bezag deze vrouwenbeweging vol achterdocht. Zo'n zelfbedachte gemeenschap, sprak daar geen hoogmoed uit? Hoe werd er in de middeleeuwen op de vrouw neergekeken! Ik denk aan een uitspraak van de eerbiedwaardige dominicaan Humbert de Romans die doodleuk verklaarde: 'Vrouwen zijn traditioneel de navolgsters van het kwaad, zonder de genade Gods kunnen zij geen goed doen.'
Priorij Corsendonk
Als we 's middags op weg gaan naar de Priorij Corsendonk passeren we het 'Kempense Lake district' waar heldere meren tussen de bomen glinsteren. Er vallen me regels van Beatrijs van Nazareth binnen die ze omstreeks 1237 in religieuze vervoering noteerde: 'En zoals een vis zwemt in de grootsheid van de stroom en zich in de diepten in zijn element voelt, zo voelt zij hoe haar geest zich in alle vrijheid ophoudt in de diepte, de ruimte en de verhevenheid van de godsliefde.'Priorij Corsendonk ligt even buiten Oud-Turnhout aan een beek in de bossen.
In bijna alle Vlaamse abdijen kunnen leken tegen geringe vergoeding een gastenkamer aanvragen, om zich daar enkele dagen in stilte te bezinnen. Reserveren is noodzakelijk want de honger naar spiritualiteit neemt toe. Maar in Priorij Corsendonk zijn geen vrome monniken meer te vinden; hun sobere cellen werden vanaf omstreeks 1969 verbouwd tot comfortabele hotelkamers. In het voormalige calefactorium, waar ze in de middeleeuwen manuscripten stonden te kopiëren, is nu een restaurant gevestigd. Alles is met zoveel respect gerestaureerd dat we alleen maar blij kunnen zijn dat het eeuwenoude cultuurgoed dankzij zijn nieuwe functie weer bestaansrecht heeft.
Als de nacht valt over Priorij Corsendonk liggen we in Schuur 2 warm tegen elkaar aan. Buiten ritselen de bladeren over het terrein waar ooit de kerk stond, waar de beeldenstorm woedde en waar honderden monniken - na een streng celibatair leven - hun laatste rustplaats vonden. De volgende morgen genieten we van een uitgebreid ontbijt onder het authentieke balkenplafond van de kapittelzaal. Het licht stroomt door de gotische vensters naar binnen en beroert de gestalten op de zestiende eeuwse wandtapijten.

Averbode

Weer volgen we de groene lijnen van de Abdijenroute op de kaart en rijden via Mol, Meerhout en het Laakdal naar de abdij van Averbode. Boven de dichte boomkruinen verheft zich de toren van de abdijkerk en even later zien we aan de rechterkant van de weg de witte, sobere kruisen van de Norbertijner kanunniken, die tegen het koor van de kerk aan liggen.
De veertiende eeuwse abdijpoort is rijk voorzien van beeldhouwwerk. Daar achter ligt een reusachtig abdijcomplex waarin honderd Norbertijnen leven. De imposante barokkerk, die zo Italië overgewaaid lijkt, is al jaren in restauratie. Vóór kerstmis van dit jaar zal hij klaar zijn. Wim loopt naar de welgevulde boekwinkel, geleid door een kanunnik, waar ze behalve theologische werken ook prachtige kunstboeken verkopen en een uitgebreide collectie crucifixen, madonna's en rozenkransen. Abdijbieren -kaasjes en -broden worden in bijna alle abdijwinkels verkocht.
In een houten keet aan de rand van het abdijplein staat het beeld van Onze Lieve Vrouwe. Ik werp een munt in het busje, steek een kaars op en lees in het opengeslagen boek de bedes van bezoekers: 'Voor mijn zieke man', 'voor het behalen van mijn diploma', ' Onze Lieve Vrouwe red mij uit de nood.'
Ik neem de balpoint op en schrijf er onder: 'Voor mijn lief en lieverdjes.'

Diest

Van Averbode ben je al gauw in Diest, voor Nederlanders een bekende locatie. Alle Oranjes zijn Graven of Gravinnen van Diest en in de Sint Sulpituskerk ligt Philips Willem van Oranje, de oudste zoon van Willem de Zwijger begraven. Maar dit stukje historie laten we rusten; we wandelen naar de monumentale poort in Rubensiaanse barokstijl (1671) van het begijnhof. De tabernakelnis met de Madonna wordt omringd door gebeeldhouwde bloemslingers en engelenkopjes. Daar onder staan de uitnodigende woorden: Comt in mijnen Hof, Mijn suster Bruyt, een schone regel uit het Hooglied van Salomon.
Zeven eeuwen lang huisden er begijntjes in Diest en nergens houdt men de herinnering aan de vrome vrouwen zo in ere als hier. Hoewel de laatste twee begijnen in 1926 vertrokken lijkt het of hun schimmen nog achter de kanten gordijntjes waren. In veel begijnhoven blijkt de kerk gesloten. Maar in Diest staan de deuren van de dertiende eeuwse gotische Sint Catharinakerk open en het interieur is bijna gezellig te noemen. In het middenschip staan oude schoolbanken. Prachtige voorbeelden van Mechelse, Brusselse, Lierse en Dietser kant liggen in lage vitrines onder de kerkvensters uitgestald. Links van het met bloemen getooide hoofdaltaar troont een Mariabeeld dat als een barbiepop is aangekleed in witte kanten en gouddraad. De houten preekstoel tart elke beschrijving: de kuip waarin de pastoor zich tot de gelovigen wendt wordt gedragen door vier geliefde begijntjesheiligen: de heilige Begga - aan wie volgens sommigen de begijnen hun naam ontleenden -, Catharina, Agnes en Maria Magdalena. Diest geeft spelenderwijs een lesje in Vlaamse volksdevotie: daar staat het beeld van Sint Franciscus de Hiëronimo, die door de begijntjes werd aangeroepen tegen tuinslakken. De heilige Catharina van Alexandrië - onder wier hoede de begijnhoven zijn gesteld - wordt aangeroepen als hulp tegen brandwonden en huidkwalen.
Op het begijnhof ligt een gotische kapel, waarin nu een herberg is gevestigd. Het pand is ingericht met religieuze attributen en heeft een zonnig terras. Vandaar hebben we zicht op een kunstwerk: een groepje levensgrote begijnen van duurzaam papier maché loopt tussen de bomen. Hun sluiers ritselen in de wind.

begijnhoven2

Achter de beelden ligt de groene deur die toegang geeft tot het kantcentrum en de kantbibliotheek. Wim volgt de waard van de herberg die er met een blad abdijbier op zijn hand naar binnen loopt.
'Gaat dat wel samen, alcohol drinken en kant klossen?' roept hij quasi streng. De vrouwen kwetteren als mussen boven hun kantkussens: 'We kunnen niet klossen zonder een abdijbiertje!' Een heel oude vrouw in de hoek zegt niets. Haar klosjes vliegen schijnbaar ordeloos omhoog, omlaag over elkaar heen.
'Ze is doof,' zegt een andere met een lieve glimlach en heft haar glas. Ze tonen zelfgemaakte kleedjes en zelfs kanten bloemen: 'Kom maar eens terug als we weer een tentoonstelling hebben!' roepen ze ons vriendelijk na.

Tongerlo

Op weg naar Lier komen we langs de abdij van Tongerlo. Een lange kloostermuur beschermt het kloostercomplex dat als een sterke stad met torens en trapgevels in het groen ligt. Pater Kees komt ons bij de poort tegemoet en we staan als betoverd stil bij het zien van het uitgestrekte binnenplein. Het wordt omsloten door architectonische wonderen in verschillende bouwstijlen: de witte neogotische abdijkerk met zijn hemelwaardse lijnen, de zware oude tiendschuur, de bakstenen gastenverblijven, de abdijboekwinkel en het paleisachtige Abtshuis met zijn natuurstenen bekleding. Tijdens de rondwandeling raak ik meer en meer onder de indruk van wat deze abdij aan cultuurschoon te bieden heeft. Het interieur van de witte abdijkerk is getooid met Romaanse zuilen, oosters aandoende bogen van wit en gekleurd marmer, glinsterende mozaïeken. In het ruime vestiarum mogen we de koorhemden zien, die aan rijen haakjes klaar hangen voor de volgende dienst: 'Als jullie gaan sporten of naar een feest toe gaan trek je toch ook andere kleren aan?' zegt Pater Kees. 'Door koorhemden en mantels te dragen tonen wij dat we naar het koor gaan om te bidden.'
Hij begeleidt ons naar de deftige prelatenwoning. In het pas gerestaureerd fronton is het amusante blazoen van de bouwheer geplaatst met zijn devies Festina Lente wat betekent: Haast u langzaam. Pater Kees wijst op een schildpad en twee haasjes in het wapenschild die de spreuk illustreren en legt uit: 'Ga niet overhaast te werk, bezint eer ge begint.'
Achter deze gevel schuilt een kunsthistorische schat die de verrassing van de Abdijtocht wordt: het is een levensgrote replica van Het Laatste Avondmaal, omstreeks 1507 door Andrea Solario en Leonardo da Vinci geschilderd. In 1545 werd het voor de abdij aangekocht. Kunsthistorici zijn het er over eens dat dit doek meer overeenkomst vertoont met het origineel dan Leonardo's al te vaak overgeschilderde fresco te Milaan. In een bioscoopachtige zaal zitten we lange tijd voor het wereldberoemde schilderij met zijn magisch perspectief. De jonge apostel Johannes leunt tegen Petrus aan met de engelachtige glimlach van de Mona Lisa en Christus in het midden is in al zijn menselijkheid aanwezig.

Lier

Lier is lieflijk. Geen ander woord past bij die opeenhoping van kerken, smalle straatjes, bruggen en torens. Alles lijkt aangeraakt door de serene rust van het begijnhof. De Vlaamse schrijver Felix Timmermans schreef er 'De zeer schoone Uren van Juffrouw Symfrosa Begijntje', dat hij zelf van suikerzoete plaatjes heeft voorzien. Symfrosa toont weinig overeenkomst met de middeleeuwse begijnen die een hard leven vol versterving leidden. Van Symfrosa - een fantasiefiguur - is bij de kerk een bronzen beeldje geplaatst en er werd een witgekalkt straatje naar haar genoemd. Maar voor Beatrijs van Nazareth is nergens een standbeeld opgericht.
Thuis heeft mijn man er zijn oude, dikke Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde door G. Knuvelder eens op nageslagen. En daar staat het: 'Het oudste Nederlandse proza dat ons volledig werd overgeleverd en met zekerheid gedateerd kan worden, werd geschreven door Beatrijs van Nazareth (ca. 1200-1268).'
Beatrijs kwam uit een groot gezin in het nabije Tienen. Haar moeder leerde haar lezen en schrijven. Ze overleed toen Beatrijs pas zes jaar oud was en de vader besloot zijn hoogbegaafde dochtertje onder te brengen bij de begijntjes in Zoutleeuw. Daar kreeg het kind een goede intellectuele vorming. Ze trad in de Cisterciënzerabdij van Nazareth bij Lier, waar ze vanaf 1237 tot haar dood als priorin woonde. Beatrijs ontwikkelde een unieke relatie met God, geheel tegengesteld aan die van de intellectuele mannengemeenschap. Terwijl men aan de universiteiten geloofde in een ondoorgrondelijke, duistere God, die door de mens niet te kennen is vond Beatrijs God in haar innerlijk. Ze beschrijft in haar Seven manieren van Minne op vurige wijze het liefdesavontuur tussen God en de mens. Voor haar is hij geen abstract ideaal of een historische figuur maar een levende geliefde, die in haar aanwezig is.

beatrijs

Toen zuster Beatrijs op 68-jarige leeftijd in Lier stierf, verscheen er spoedig een levensbeschrijving. Haar geschrift bleef de vrome vrouwen van de abdij eeuwenlang inspireren. Tijdens de Franse revolutie overkwam hen een ramp: de revolutionairen vielen Lier binnen en verwoestten de eeuwenoude abdij van Nazareth. Het is bijna een wonder dat de abdij anderhalve eeuw later door de Cisterciënzers opnieuw werd gebouwd. Nu niet in Lier maar in Brecht, even ten noorden van Antwerpen. In de bloeiende abdij van de gastvrije Trappistinnen wordt Beatrijs hoog in ere gehouden en Cisterciënzers over de hele wereld putten inspiratie uit haar geschrift.
En wat gebeurde er met het begijnhof in Lier? Het overleefde de Franse revolutie. De laatste begijn overleed er in 1994. Alle huisjes zijn mooi onderhouden. Bij het Huis de Heilige Elisabeth bloeit een late geranium, bij het Huis Sint Antonius in de Woestijn is een briefje gehangen: 'Geen drukwerk dank u.'
Lier ligt dicht bij Antwerpen. Maar hoe anders is de sfeer in de Scheldestad. Hoewel cafeetjes en restaurant namen dragen als Den Engel, Paters Vaetje, Het Elfde gebod en 't Klosterke mis ik hier de religieuze intimiteit van de groene begijnhoven. Wim heeft afspraken met een schrijver en ik besluit alleen per trein nog twee begijnhoven van de Werelderfgoedlijst te bezoeken: het Klein Begijnhof in Gent en dat van Sint Amandsberg. De volgende morgen is het zwaar bewolkt. In de trein lees ik dat in Sint Amandsberg het enige neo-gotische begijnhof van Vlaanderen ligt. Het werd ca 1874 gebouwd met geld van de hertog van Arenberg, die daarmee zeker in de hemel hoopte te komen. Verwachtingsvol loop ik van station Gent Dampoort naar Sint Amandsberg. Midden in de desolate wijk stuit ik op een hoge, sombere muur die wel iets van een strafinrichting heeft. Daar achter ligt het Sint Elisabethbegijnhof met drie door bomen omzoomde pleinen, een kerk, een kapel en - net als in de klassieke begijnhoven - een infirmerie of ziekenhuis, wel veertien conventen (waar arme begijnhoven gratis konden wonen) en tachtig begijnhuizen. Ze zijn allemaal van donkerbruine bakstenen en missen de warmte van de middeleeuwse hoven. De kerk is gesloten. Op wat koeien na kom ik geen levende ziel tegen. Teleurgesteld loop ik naar het strenge, statige huis van de Grootjuffrouw. Het bestuur over de begijnhoven lag vanouds in handen van de Grootjuffrouw en vier hofmeesteressen, die door de begijnen werden gekozen. Haar functie heeft het begijnendom overleefd. Ik bel na enig aarzelen aan. Een strenge stem vraagt door de intercom wie ik ben. Wat bedremmeld noem ik mijn naam en vraag of ik misschien het kerkinterieur mag zien en als het kan ook het museum. De stem verwijst naar de portierster en met een klik wordt het gesprek afgesloten.
De portierster woont in het poortgebouw, de plek waar in vroegere eeuwen armen en zieken voedsel en warme kleren ontvingen. Alle misdeelden konden rekenen op de barmhartigheid van de begijntjes. Het begint te regenen. De huidige portierster zegt dat ze net zit te eten en geen tijd voor me heeft. Ze scheept me af met een brochure.
Even denk ik dat het bezoek aan Sint Amandsberg toch nog iets moois oplevert; daar loopt een jonge vrouw met een witte sluier in een lang, donker gewaad. Het laatste begijntje van Vlaanderen? Opgetogen pak mijn fototoestel uit mijn rugtas en loop achter haar aan. Als ze haar hoofd omdraait en me met grote, donkere ogen aankijkt zie ik ze een Marokkaanse is.
Is het niet vreemd dat geen van de Gentse buschauffeurs weet waar het Klein Begijnhof ligt? De chauffeur van bus 3 heeft een lange paardenstaart en ik spreek hem per ongeluk aan met mevrouw. Waarom mislukt deze begijnendag? Ligt het aan de regen of omdat Wim in Antwerpen is gebleven? De bus zet me af in het centrum waar ik moet overstappen op bus 5. Bij de Violettenstraat uitstappen, want daar moet het begijnhof ergens liggen. Violettenstraat, dat klinkt bloemrijk en ik krijg weer hoop maar als ik uitstap sta ik in een drukke, grauwe straat met gesloten winkelpanden. Nu begin ik opnieuw te twijfelen: is dit mijn mooie historische Gent met zijn prachtige torens en schilderachtige kaaien wel? Als ik terug wil gaan vind ik aan de linkerkant van de straat een poort, die toegang geeft tot een heel groot Klein Begijnhof gewijd aan Onze Lieve Vrouwe ter Hoye dat in 1240 werd opgericht.

begijnhoven5

Een oase van schoonheid en rust waar het verkeersgedruis direct verstomt en het gezang van vogels hoorbaar is. Je kunt er wandelen als in een dorp: de huizen en conventen zijn om een rechthoekige dries gebouwd, omzoomd door linden en hagenbeuken met vurig goudgeel blad.

De Sint Godelievekapel is een bedevaartsoord voor mensen met oog- en keelkwalen. Onder de parelmoeren hemel liggen vuurrood geschilderde bakstenen huisjes. Hun voortuintjes zijn van de straat gescheiden door schelpwitte muren. Elke deur draagt de naam van een heilige. Bij het Huis Jozef en Maria staan twee vuilniszakken buiten. Het huis Maria ter Sneeuw is spierwit en pronkt met een beeldje van de Moeder Gods in een nis. Ik vind een barokke kapel met een gebeeldhouwde façade waarin een getergde Madonna staat: zeven scherpe zwaarden doorboren haar hart. Het is de Moeder der Zeven Smarten, de Mater Dolorosa een troosteres voor alle moeders die - net als zij - ongerust zijn over hun zoon.

Antwerpen

Als ik terugkom in Antwerpen heeft Wim in antiquariaat Demian in de Wolstraat een vriend ontmoet: de schrijver Fernand Auwera. Als hij hoort dat ik over Vlaamse begijnhoven schrijf, zet hij zijn zwarte pet op en wil me direct het begijnhof van Antwerpen laten zien. Ik heb nog nooit van een Antwerps begijnhof gehoord en raadpleeg de Werelderfgoedlijst. Antwerpen komt er niet op voor. 'Maar mijn Tante Nonneke heeft er haar hele leven gezeten!' houdt Fernand vol, 'Ik kwam daar als kleine jongen heel vaak met mijn moeder op bezoek. Het is hier nog geen tien minuten vandaan.' Hoewel ik de hele dag heb gelopen volg ik hem nieuwsgierig in de regen.
Dit begijnhof lag oorspronkelijk buiten de stadsmuren tot het door de legerbende van (onze!) Maarten van Rossum in 1555 is geplunderd en verwoest. Toen werd er een nieuw begijnhof gebouwd in de veilige driehoek tussen de Paardenmarkt, Rodepoortvest en Ossenmarkt. Het is verder dan tien minuten en als we eindelijk de hoge muur in de Rodestraat zien, zijn we kletsnat.

Het naar Sint Catharina genoemde begijnhof, maakt alles goed. Het is zo klein, dat je het snel kunt overzien. Anders dan de andere begijnhoven heeft de dries de allure van een omheinde sprookjestuin.

begijnhoven4

Een gebouw aan de rechterzijde van het kasseinstraatje heeft ronde hoektorentjes en zelfs kantelen als een middeleeuwse burcht. Van Fernand hoor ik over het begijnenleven: 'Daar zijn de huisjes van de kwezelkens. Tante Nonneke woonde hier, ze droeg over haar hartvormige kap een witte sluier. Maar op een dag was het warm en toen ze met mijn moeder binnen zat te praten deed ze hem af. En toen zag ik dat ze daar onder kaalgeknipt was.. al die stoppeltjes! Ik ben er zo van geschrokken.'
Hij wijst me de schuilkelder waar ze in de oorlog tijdens de bombardementen temidden van begijntjes bijeen zaten: 'Al die kwezelkens zaten aan één stuk door de rozenkrans te bidden, ik werd er gek van! En dat is het huis van de pastoor. Ik hoorde mijn vader zeggen dat hij onder het huis een enorme wijnkelder had.'
Tante Nonneke moet een bijzondere vrouw zijn geweest: 'Vroom en vrijgevochten,' noemt Fernand haar. 'Op een dag, het moet zo rond 1938 zijn geweest, stapte ze zomaar een café op de De Keyserlei binnen. De mensen keken hun ogen uit: geen vrouw haalde het in die tijd in haar hoofd om alleen een café in te gaan en dan een begijntje! De ober durfde haar niet te bedienen. Tante werd kwaad en riep: breng me een koffie. Ze kon niet begrijpen dat de mensen zo bekrompen reageerden.'
Opgaande in zijn herinneringen opent Fernand het smeedijzeren tuinhek en laat me toe tot het paradijs van zijn jeugd. Rechts is een door groen overwoekerd prieel waar de begijnen 's zomers onder zaten te handwerken bij een beeld van de Heilige Maagd. Daar is de boomgaard met zeldzame moerbeibomen. Er stonden ook frambozenstruiken met vruchten 'als karbonkels zo groot.' Er is een mooie Calvarieberg uit 1822. Verweerde beelden van de Driekoningen zwerven rond op de helling. Het kerkje in de hoek is dicht maar de kapel met het mirakelbeeld van Christus blijkt open. Ik kijk door tralies naar het beeld van de naakte, lijdende mens. Er flakkert een waxinelichtje. Er staan verse bloemetjes.
Dit hier is heel oud. Het gaat terug tot de diepste behoefte van de mens. Hoeveel zielen putten troost uit dit tafereel?
En al zijn er geen vrome begijntjes meer, dit zal altijd blijven.
Fernand en ik lopen zwijgend door de stromende regen terug naar de boekhandel, waar Wim op ons wacht. Ik haal mijn Werelderfgoedlijst tevoorschijn. Ik zet een vraagteken achter Sint Amandsberg en schrijf er in grote letters onder: het Antwerps begijnhof.

Copyright Thera Coppens


Begijnhoven op de lijst van Werelderfgoed

155 landen van de Unesco hebben zich verbonden om financiële en intellectuele bijstand te verlenen voor de bescherming van het cultureel werelderfgoed. Tot de 446 culturele sites behoren ook dertien Vlaamse begijnhoven.

Provincie Antwerpen:
Hoogstraten, begijnhof gesticht in het midden van de 14de eeuw, met drie rijen witte, lage huizen, kapellen en een mooie barokkerk. Voor de restauratie kreeg het de Vlaamse monumentenprijs 1997. Laatste begijn is in 1972 overleden. Met museum.
Lier: (beschreven in het artikel). Laatste begijn overleed in 1994.
Mechelen: de kern van het Groot- en Klein- Begijnhof dateert uit het midden van de 13de eeuw en heeft een a-symmetrisch stratenpatroon binnen de stadsmuren. De laatste begijn van het Groot begijnhof overleed in 1993.
Turnhout (beschreven in het artikel) Met museum. De laatste begijn is naar een verzorgingstehuis gebracht.

Provincie Vlaams Limburg:
Sint-Truiden: het enige begijnhof dat nog steeds buiten de historische stadskern ligt heeft o.m. nog een hoeve bij de infirmerie en de oudste laat-romaanse begijnhofkerk van Vlaanderen. Laatste begijn overleed in 1860.
Tongeren: De ommuring werd met poorten en al afgebroken waardoor het besloten karakter is verdwenen. Maar de 17de en 18de eeuwse begijnenhuizen aan de Jeker en de vroeg-gotische begijnhofkerkn (1294) zijn mooie en sfeervol gerestaureerd. Laatste begijn overleed in 1856.

Provincie oost-Vlaanderen:
Dendermonde: een verstild begijnhof aan de rand van de stad met en zeer grote dries (dorpsplein) omzoomd door witgekalkte huizen. Met museum. In 1975 overleed laatste begijn.
Gent: (beschreven in het artikel) Er zijn nog enkele begijnen in leven.
Sint Amandsberg: (beschreven in het artikel) Met museum. Er zouden nog begijnen in leven zijn.

Provincie Vlaams- Brabant:
Diest: (beschreven in het artikel) sinds 1928 zijn er geen begijnen meer. Met museum/kantklosschool.
Leuven: dit ruime begijnhof aan de Dijle ligt als een stadje in de stad, heeft nog een infirmerie met ziekenzaal, de 'kerckekamer' en een juweel van een gotische kerk. De laatste begijn van het Groot Begijnhof overleed in 1988.

Provincie West-Vlaanderen:
Brugge: begijnhof 'Ten Wijngaard' is wereldberoemd: om het grote, met gras en bomen getooide plein liggen witte huisjes met vuurrode dakpannen. Het begijnhof heeft zijn religieuze en maatschappelijke functie behouden. De begijnen zijn sinds 1927 opgenomen in een diocesane congregatie van benedictijnse obediëntie, de 'Dochters van de kerk'. Ze dragen nog een habijt.
Kortrijk: In het hart van de drukke stad ligt dit rustige, ommuurde begijnhof, dat in de 13de eeuw gesticht werd door Johanna van Konstantinopek gravin van Vlaanderen wier beeld op de binnenplaats staat. Met museum. De laatste begijn Marcella Pattijn zou nog in leven zijn.

Behalve de begijnhoven van de Werelderfgoedlijst zijn er nog in vele historische plaatsen mooie begijnhoven te bewonderen zoals in Herentals, Borgloon, Hasselt, Aalst, Oudenaarde, Aarschot, Overijsse Tienen, Diksmuide, Brussel en Anderlecht. In Nederland zijn slechts twee begijnhoven bewaard gebleven: in Amsterdam en in Breda.
Alle begijnhoven zijn overdag vrij toegankelijk voor publiek. De poorten sluiten gewoonlijk om 10.00 uur 's avonds en gaan om 7.00 uur 's morgens weer open.

Abdijenroute
U kunt de touristische autoroute aanvragen bij de Toeristische Federatie Provincie Antwerpen (TFAP) Koningin Elisabethlei 16 2018 Antwerpen telefoon: 0032 3 240 6373. Email: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
De meeste abdijen zoals Postel hebben een eigen website.
Raadpleeg voor de openingstijden van musea, kerken etc. steeds de plaatselijke Dienst voor Toerisme. Sommige bezienswaardigheden zijn na 1 oktober gesloten voor individuele bezoekers maar wie zich van tevoren aanmeldt, wordt onder voorwaarden toch binnengelaten.

 OmslagSuzanne

OmslagSuzanne      OmslagSophie      omslaghortense      OmslagMarieCornelie

E OmslagSuzanneHistorisch Toerisme Bureau

zilverenkoets2

 Tromplaan 7A 3742 AA Baarn T. 035 5422091 E. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Go to top