D1. Zelfportret ets

Foto: Rembrandthuis, Amsterdam

Midden in de nacht ontwaakte hij van een klein, droevig geluid. Zonder zijn broertjes en zusjes te wekken schoof Rembrandt het gordijn van de bedstede iets opzij en keek in de woonkamer. Zijn moeder zat met haar jongste kind op schoot bij het schijnsel van een lamp. Daarnaast stond vader Harmen Gerritszoon van Rijn, die machteloos op het zieke kind neerkeek. Rembrandt sloot het gordijn weer en staarde voor zich uit in het duister.

Kort geleden was het gezin getroffen door de dood van de jongste baby. Zou ook dit kind sterven? Hij trok de versleten deken over zich heen en droomde weg in een wereld die niet kaal was van armoede. Goud, fluweel en zijden kwasten sierden de kamers van zijn verbeelding. Toen zijn vader hem de volgende morgen wekte, moest hij zijn kinderen vertellen dat de zieke was gestorven. Het gewone leven ging door. Harmen Gerritszoon ging om 6 uur naar de molen tegenover zijn huis aan de Leidse Weddesteeg en zijn vrouw Neeltje bond haar katoenen werkschort voor.

Rembrandt slenterde over de kade van de Oude Rijn. Telkens gleden de schaduwen der draaiende molenwieken over hem heen. Hij nam een potscherf van de grond en tekende op de kade wat hij die nacht had gezien: de bedroefde vrouw met het kind in haar armen. Maar toen het werkstuk af was keek de jongen er vol minachting op neer en veegde met zijn kapotte schoen de lijnen weg. Toen Rembrandt veertien jaar was geworden werd hij als student in de letteren ingeschreven aan de Leidse academie. Maar de rusteloze jongen voelde zich niet thuis in het wetenschappelijk milieu en ging niet meer naar college. "Dan moet je maar bij me in de molen komen werken," stelde Harmen Gerritszoon voor. Zijn zoon riep uit: "Ik wil geen molenaar worden. Ik wil tekenen en schilderen!" Rembrandts moeder, de fiere bakkersdochter, hield niet van halve beslissingen. Ze zei: "Als je later kunstschilder wilt worden moet je het vak ook grondig Ieren. Ik zal morgen eens op zoek gaan naar een goed leermeester."

Zo kwam Rembrandt van Rijn in de leer bij Jacob van Swanenburg, een kunstenaar die een reis naar Italië had ondernomen om wereldberoemde meesterwerken met eigen ogen te zien. Op zijn atelier leerde Rembrandt etsen, verven mengen, penselen maken en modeltekenen. De jongen kon echter geen waardering opbrengen voor het gladde, statische werk van zijn leermeester. Na drie jaar verliet hij Leiden om zijn opleiding te voltooien bij de bekende historieschilder Pieter Lastman. Voor hem koesterde Rembrandt een diepe bewondering die zich uitte in het copiëren van Lastmans werken. Na zes maanden keerde de jonge Rembrandt terug naar zijn geboortestad om zich als zelfstandig kunstschilder te vestigen. . .

Rond 1625 was Leiden een stad vol tegenstellingen. Op de pleinen wandelden elegant geklede lakenhandelaren. Zij hadden geen oog meer  voor de bedelaars die als vliegen om hen heen zwermden, altijd smekend om een aalmoes. In het hart van de stad huurde Rembrandt met zijn vriend en collega Jan Uevens een pover. atelier. Zij hadden geen geld, geen opdrachten, geen bekendheid. Maar ze bezaten een talent dat spoedig zou opvallen. Toen Rembrandt eenentwintig jaar was geworden, nam hij zijn eerste leerling in dienst: Gerard Dou. Jan Uevens was op een dag in contact gekomen met de geletterde diplomaat Constantijn Huygens, secretaris van stad- houder Frederik Hendrik. Hij was het die voor de jonge kunstenaars de poort naar het hof opende. De deftige Huygens was verwonderd over de gave van Rembrandt en Lievens. Terug in Den Haag uitte hij onder de hovelingen zijn lof over de Leidse schilders. Sinds die tijd kregen zij belangrijke opdrachten. Na enkele jaren liet Lievens zich overhalen om aan het Engelse hof te gaan werken. Rembrandt had de vererende opdracht ge kregen om een anatomische les van professor Tulp te schilderen. Bij zijn vertrek naar Amsterdam waar Tulp woonde, meende hij.
na de voltooiing van de anatomische les terug te keren naar Leiden. Maar Amsterdam zou voortaan zijn vaste woonplaats blljven. Hij trok in bij zijn vriend Hendrick van Uylenburgh die een kunsthandel en schildersschool in de Breestraat had. Ook Gerard Dou ging zijn eigen weg. Hij zou zich ontwikkelen tot een modeschilder, die meer opdrachten ontving dan zijn beroemde leermeester Rembrandt.

In een opgewekte stemming verliet Rembrandt de zaal boven de Waag, waar hij de laatste hand legde aan zijn voorstudie van het chirurgijnsgilde. Door de bekwame uitvoering van deze opdracht had hij de aandacht van rijke Amsterdammers op zich gevestigd. Er wachtte hem een gouden toekomst in de Amstelstad! Bij zijn terugkeer in de woning aan de Breestraat begaf hij zich naar de keuken. Verrast stond hij stil toen hij bij het houtvuur een meisje zag. dat hij nooit eerder had ontmoet. Aan haar trotse houding, de blanke handen en haar fluwelen kraag en japon kon hij zien dat ze niet tot het personeel behoorde. Hendrick van Uylenburgh betrad juist de keuken: "Saskia, ik heb je nog niet voorgesteld aan mijn veelbelovende vriend Rembrandt van Rijn." Hij leidde haar naar de schilder en zei met een buiging: .,Dit is Saskia van Uylenburgh, mijn nichtje uit Friesland." Rembrandt trok zijn baret van het warrige haar en staarde haar aan. Zo doordringend was zijn blik dat ze verlegen haar ogen neersloeg.

.,Wel . . ." zei Hendrick ongeduldig. "Moet je de juffrouw geen handkus geven? Zij wacht erop'" Wat stug wendde de schilder zich van haar af: "Mijn vingers' zitten vol verf. . ."Die avond herinnerde hij zich steeds de lijn van haar hals, de vloeiende ronding van haar heupen. Onrustig woelde hij in zijn bedstede totdat hij een waskaars ontstak en een vel papier greep om haar te schetsen Het beeld dat bij het zachte schijnsel ontstond was niet zo volmaakt als de ware Saskia. De volgende morgen zag hij haar terugkeren van de markt met een mand fruit over haar arm. Zij bleef op de drempel staan, het achterhoofd beschenen door de zon. Vrijmoedig volgden zijn ogen haar bij haar gang door de kamers. Zijn persoonlijkheid straalde een geheimzinnige kracht uit die Saskia haar wil benam. Zij werd zijn ideale model dat geduldig poseerde. En wat later werd ze voor Rembrandt de ideale vrouw die hij vurig begeerde. Hij was slechts een molenaarszoon,  zij de dochter van de voormalig burgemeester van Leeuwarden Maar hun liefde overbrugde de maatschappelijke kloof. Zij schonken elkaar hun trouw belofte en bereidden zich gelukkig voor op hun huwelijk.

In de zomer van het jaar 1634 luidden de bruidsklokken van het kerkje in St. Anna-parochie waar Saskia van Uylenburgh en Rembrand van Rijn in het huwelijk traden. In het hoge gras stonden de deftige koetsen van Saskia's familie naast versierde boeren wagens. De bruid was de jongste uit een groot gezin. Haar moeder was overleden toen ze zes jaar was. Haar vader overleed vijf jaar later. Sindsdien had een oudere zuster het gezin verzorgd. Onderzoekend keken de broers en zusters naar de bruidegom. Er blonk een egoïstisch licht in zijn ogen maar hij benaderde Saskia met grot tederheid en had haar kostbare geschenken gegeven. Er werd verteld dat hij portretopdrachten kreeg van de voornaamste Amsterdamse burgers en dat hij  vrienden had onder professoren, predikanten en dichters. Zelfs prins Frederik Hendrik had werken van hem aangekocht! Het paar bleef te kort in Friesland om de nieuwsgierigheid van de familie geheel te bevredigen. Zij brachten nog enige tijd door in de Amsterdamse woning van neef Hendrick, al vorens naar de Nieuwe Doelenstraat te verhuizen.

Rembrandt beschouwde zijn jonge vrouw als het sieraad van zijn leven.Hij verdiende in die dagen veel geld dat hij gemakkelijk uitgaf. Op veilingen kocht hij etsen en schilderijen van zijn collega's. Ook verzamelde hij hartstochtelijk wapens, porselein, marmeren beelden, tulbanden, muziekinstrumenten. . . Als hij erin geslaagd was een kostbare lap zijde aan te schaffen, riep hij Saskia opgewonden bij zich en schikte de stof om haar lichaam. Uit het noorden van Friesland kwamen verontwaardigde berichten. Er was vernomen dat Saskia en Rembrandt in weelde leefden. Waren ze soms bezig het erfdeel van hun vader te verkwisten? De kunstenaar stoorde zich niet aan hun woorden. Hij was immers een onafhankelijk mens die het recht had te genieten van het leven! Maar toen begon het geluk een wending te nemen. Saskia baarde een zoon, die spoedig overleed. Ook de twee meisjes die kort na elkaar werden geboren stierven jong. De ongelukkige moeder werd zwak en ziekelijk. Steeds vaker schetste Rembrandt haar liggend in bed, het bedroefde gezicht in de schaduw der beddegordijnen. Waar was de mooie vrouw die hij trots aan zijn arm over de Dam had gevoerd? De Saskia die hem aankeek was nog slechts een vage herinnering aan haar. In 1639 verhuisde het paar naar een deftig huis in de Breestraat, niet ver van de woning van Hendrick van Uylenburgh. Om de aankoop te kunnen doen had de schilder zich diep in de schulden gestoken. Toch kon hij het niet nalaten Saskia kostbare juwelen te schenken. Toen Saskia opnieuw in verwachting raakte stortte Rembrandt zich verbeten op zijn werk. Hij wilde er niet aan denken dat de geboorte van dit kind Saskia voorgoed van hem zou kunnen wegnemen.

De Amsterdamse schutterij, die onder bevel stond van Meester Frans Banningh Cock. had hem opdracht gegeven voor een groot schuttersstuk. De schilder benaderde zijn onderwerp op revolutionaire wijze. Gewoonlijk poseerden de trotse schutters in een rij voor de portretschilder. Maar Rembrandt plaatste ze in ongedwongen houdingen op zijn doek. In het centrum stond de waardige gestalte van de kapitein die zijn luitenant bevel gaf de schuttersoptocht te beginnen. De andere figuren vormden in de schemerige achtergrond met hun vaandels, trommels en geweren een schijnbaar wanordelijke groep. Als Rembrandt de verf op zijn palet mengde scheen niets ter wereld zo belangrijk als de volgende penseelstreek. Uitgeput kwam hij thuis bij zijn vrouw die hem in haar wijde jakje verwelkomde en soms zei: "Ik weet zeker dat we deze keer een gezond kind zullen krijgen. . ."

Op 22 september van het jaar 1641 kwam Titus van Rijn ter wereld, een sterk jongetje dat de trots van zijn vader was. Saskia was na de bevalling zwakker dan ooit. Op 5 juni maakte ze haar testament waarin ze bepaalde dat haar man de helft van haar bezittingen zou erven en haar zoon Titus de andere helft. Tot de meerderjarigheid van het kind zou zijn vader het vruchtgebruik van Titus' erfdeel behouden. Deze laatste bepaling zou echter vervallen als Rembrandt hertrouwde. Toen Saskia haar handtekening op het document van de notaris had gezet werd haar man overvallen door wanhoop. Ze glimlachte: "Dat testament is maar een formaliteit. Ik zal heus gauw beter worden. .. Maar zij verzwakte zienderogen. Acht jaren na de huwelijksinzegening in Friesland stierf Saskia van Uylenburgh, haar man met de baby achterlatend. Om Rembrandt heen werd het voorgoed donker.

De schutters staarden met gemengde gevoelens naar het schuttersstuk dat de nieuwe zaal in de Kloveniersdoelen sierde. Waarom waren hun gezichten en fiere kostuums verborgen in de schaduw? Waarom ontsierde 'n straatjongen met zijn hond de voorgrond? Alleen de kapitein en de luitenant toonden hun tevredenheid. Rembrandt negeerde de kritiek. Hij liet zich niet leiden door de ijdele verlangens van opdrachtgevers. Altijd volgde hij de stem van zijn innerlijk. Naarmate hij ouder werd begon zijn spiegelbeeld hem steeds meer te boeien. Het gezicht dat hem aanstaarde was niet meer blozend en vrijmoedig zoals vroeger. Hard en hooghartig werden de ogen onder de borstelige wenkbrauwen. De mond verzachtte zich slechts in een glimlach als de kleine Titus zich tegen hem aan vlijde. De vader was soms driftig als het kind telkens de lepel pap van zich afduwde. Maar als Titus na een huil partij in slaap was gevallen maakte zijn vader een humoristische schets van het gebeurde. Omdat hij begreep dat hij zijn zoon niet zelf zou kunnen verzorgen, ging hij op zoek naar een minnemoer. Zo kwam Geert je Dircks in zijn leven, de jonge weduwe van een scheepstrompetter. Toen hij de deur van zijn woning voor haar had geopend, wandelde ze met onverholen nieuwsgierigheid door de luxueuze kamers. Het amuseerde de schilder om te zien hoe ze zijn porseleinen beeldjes en helmen betastte. Ze tilde Titus op haar schoot en sprak in moederlijke taal lieve woordjes tegen hem. "Denk je dat je je hier thuis zult voelen?" vroeg Rembrandt. Ze keek hem aan met de helblauwe ogen die iets schuin in haar ovale gezichtje stonden: "Dat weet ik zeker, meneer".

Rembrandt schepte er genoegen in zijn zoon te tekenen terwijl hij voortstapte in zijn rolwagentje of met het valhoedje op naar Geertjes armen vluchtte. Als ze samen lachten leken zij een vrolijk gezin. De schilder had bemerkt dat het boerenmeisje bereid was hem meer te geven dan alleen de verzorging van het kind. Maar het beeld van Saskia stond hem nog te levendig voor de ogen. Hij ging steeds roekelozer met geld om. De aankoop van kunstvoorwerpen schonk hem wat troost in zijn bitterste dagen. Telkens leende hij van vrienden geld om eerder gemaakte schulden af te betalen. Hij dacht niet aan de tijd waarin nieuwe schuldeisers om teruggave van hun lening zouden vragen.
Rembrandt was een man die sterk bij het moment leefde of wegdroomde in het verleden.

Op een avond kwam hij koud en humeurig terug van een ontevreden opdrachtgever. De kleine, verleidelijke Geert je legde een verwarmde kamermantel om zijn schouders en schonk zijn roemer vol wijn. Behaagziek leunde ze tegen hem aan. In een opwelling trok hij haar op zijn knie en kuste haar ruw, met gesloten ogen. De volgende morgen ontwaakten zij samen in het bed van de schilder. Gedreven door een vaag gevoel van schuld ging Rembrandt naar Saskia's juwelenkistje en nam er een gouden kettinkje uit, dat hij om Geertjes hals legde. Ze slaakte een kreet van verrassing en omhelsde hem die nacht nog vuriger. In de komende maanden schonk hij haar ook Saskia's parelsnoer, haar armbanden en een ring met een grote diamant. Op straat pronkte het boerenmeisje uitdagend met haar juwelen. De seizoenen gingen voorbij en Rembrandt begon zich langzaam te ergeren aan het gedrag van Geertje. In het bijzijn van gasten deed ze zich voor als zijn wettige echtgenote. Rembrandt had haar steeds beschouwd als een plezierige afleiding in zijn weduwnaarsbestaan, maar nooit zou zij de plaats van Saskia kunnen innemen. Geert je meende echter dat ze haar kans had gevonden om zich te ontworstelen aan het armelijke milieu waarin ze was opgegroeid. Ze stelde zich al voor als de voorname vrouw van Amsterdams meest gevierde portretschilder. Natuurlijk had ze recht op die positie. Ze had haar minnaar immers daarvoor betaald met haar lichaam? Op een dag vroeg ze hem ronduit wanneer hij met haar zou trouwen. Zonder antwoord te geven stond Rembrandt op en begaf zich naar het atelier, waar leerlingen op hem wachtten.

Haar vraag had hem onrustig gemaakt en toen Geert je plotseling ernstig ziek werd, zag hij in hoe dwaas hij was geweest om haar zoveel kostbaarheden te schenken. De juwelen vormden een onderdeel van Titus' erfenis. Maar als Geert je nu stierf zou een ver Noordhollands familielid van het boerenmeisje met Saskia's parelen gaan pronken! Zodra het meisje enigszins hersteld was dwong Rembrandt haar naar een notaris te gaan. Volgens zijn aanwijzingen bepaalde ze dat Titus van Rijn al haar bezittingen zou erven.
Geert je verwachtte dat de schilder haar dankbaar zou zijn. Tot haar grote verdriet behandelde hij haar sindsdien uiterst koel. Hij liet haar zelfs niet meer toe in zijn slaapkamer. Eenzaam sliep ze in de bedstede van het bedienden kamertje. En als ze 's morgens wakker werd was haar kussen nat van tranen.

Onopvallend had Hendrickje Stoffels haar intrede gedaan in Rembrandts huishouding. Zij was de dochter van een sergeant. In tegenstelling tot de opdringerige Geert je gedroeg Hendrickje zich uiterst bescheiden, Haar stille liefde voor de kunstschilder, die twintig jaar ouder was dan zij, hield ze zorgvuldig verborgen. Maar Geertje had in Hendrickjes ogen de hunkering gezien en ze merkte ook dat Rembrandt haar kleine geschenken gaf. Op een morgen stormde ze wit van jaloezie het atelier van haar meester en minnaar binnen: "Ik duld het niet langer dat jij die meid in dit huis zit te verwennen. Je moet haar ontslaan'". Rembrandt had geconcentreerd zitten werken. De plotselinge verschijning van
de furieuze Geert je maakte hem zo driftig dat hij zijn palet tegen de grond smeet en tierde: "Verbeeld je niet dat je mij iets kunt gebieden! Jij hebt in dit huis niets te vertellen!" Geertje schreeuwde met overslaande stem haar verwijten en vluchtte tenslotte snikkend de straat op.

's Avonds ging Rembrandt naar haar kamertje, De deur stond open en haar linnenkast was leeg. Saskia's juwelen waren verdwenen. Rembrandt was in zijn hart opgelucht omdat Geert je Dircks was vertrokken. Nu kon hij al zijn aandacht op Hendrickje vestigen, Toch was de heerszuchtige kunstenaar niet vrij. Doordat Geert je alle juwelen had meegenomen bezat ze een zekere macht over hem. Op een avond begaf hij zich noodgedwongen naar het armoedige kamertje waarin ze haar intrek had genomen. Binnengekomen begon hij zakelijk: "Geert je, onze liefde berustte op een misverstand, Je moet voortaan je eigen weg gaan. Ik ben van mening dat je onder deze omstandigheden verplicht bent mij al mijn geschenken terug te geven." Vijandig zette ze haar vuisten in de zij: "Je hebt me die juwelen niet geleend maar gegeven. Ze zijn voor altijd van mij." Met een lachje voegde ze eraan toe: "Trouwens. . . ik heb ze niet meer." Rembrandt greep haar hardhandig bij haar pols: "Waar heb je ze gelaten?" Er welden tranen op in haar ogen: "Bij de lommerd. Ik moest toch leven?" Ze drong haar mollig lichaam tegen hem aan: "Ben je dan vergeten hoe je me liefhad?" Hij duwde haar van zich af en zei resoluut: "Luister, ik zal een regeling met je treffen. Ik geef je nu honderdvijftig gulden. Daarmee ga je morgenochtend naar het pandjeshuis om de juwelen terug te halen.

Als je daarna notarieel laat vastleggen dat je het testament nooit zult wijzigen beloof ik je een altmentatie van honderdzestig gulden per jaar". Er viel een stilte waarin Geert je langzaam en veelbetekenend haar hand ophield. Als enig antwoord legde hij er honderdvijftig gulden in. Ze stopte ze in haar schortzak en liet hem zonder een groet vertrekken. Rembrandt meende dat de kwestie was opgelost. Geertjes liefde was echter om geslagen in felle haat en ze zon op wraak. Huilend begaf ze zich naar het Amsterdamse bureau voor huwelijkszaken en eiste van de rechters dat ze Rembrandt zouden dwingen haar te trouwen. Terwijl ze hen de diamanten ring voorhield zei ze: "Hij gaf me deze ring en zijn trouwbelofte! En toen heeft hij me gedwongen tot gemeenschap en nu laat hij me in de steek. Ik ben een arme onteerde weduwe en ik eis mijn recht!"Om de gevierde kunstenaar een huwelijk met de kijvende Geert je te besparen veroordeelden de rechters de schuldige tot een alimentatie van tweehonderd gulden per jaar. Geert je moest onder ede verklaren dat Titus van Rijn haar erfgenaam zou blijven. Rembrandt schikte zich mokkend in zijn lot, hopend nu definitief van het meisje te zijn verlost. Hij koesterde een oprechte liefde voor Hendrickje Stoffels. Om haar te bewijzen hoezeer hij haar beminde zou hij haar willen trouwen. Maar het testament van Saskia bepaalde dat hij in dat geval het vruchtgebruik van Titus' erfdeel zou verliezen. En Rembrandt kon dat geld niet missen. Hendrickje begreep de situatie volkomen. Ze stelde zich tevreden met de liefde en achting die hij haar toedroeg. In gezelschap stelde hij haar voor als zijn vrouw. Er heerste rust en harmonie tussen Rembrandt, Hendrickje en de opgroeiende Titus. Het geluk mocht niet lang duren. . .

AIs een eenzame, zwarte vogel ging hij door het kale land. Zijn cape fladderde om zijn schouders, de hoed was diep over zijn ogen getrokken. Hij liep de Diemerdijk over in de richting van Diemen. Daar zette hij zich in het gras om het zicht op Amsterdam te schetsen. In het huis aan de Breestraat benauwden de zorgen hem meer dan in het wijde land. Een jaar na de pijnlijke affaire met Geert je Dircks had hij haar de alimentatie uitbetaald. Toen bleek dat ze in de binnenstad een losbandig leven leidde en alle juwelen van Saskia had verkocht of verpand. In zijn razernij wist hij te bewerkstelligen dat ze in het Goudse tuchthuis werd opgesloten. Daar verrichtte het meisje harde arbeid tussen dievegges. hoeren en bedelaressen. Haar oude vriendin Trijntje Jacobsdochter had zich niet bij de situatie neergelegd. Toen Geertje ernstig ziek werd had ze haar uit het tuchthuis gehaald om haar persoonlijk te verplegen. Sindsdien eisten de vrouwen onder bedreigingen voortdurend geld van de schilder. Hij had echter overal schulden en vreesde dat hij zijn dierbare woning in de Breestraat moest verkopen. Rembrandt maakte zich zorgen om Hendrickje Stoffels. Driemaal had de kerkeraad haar streng ontboden. De vierde maal was het zeven maanden zwangere meisje gekomen. Hij had het vonnis gelezen dat ze had ondertekend: "Hendrickje Stoffels voor de vergadering verschenen zynde bekent dat se met Rembrandt de schilder hoererije heeft gepleecht is daerover ernstelUck bestraft, tot boet- vardicheyt vermaent en vanden taffel des Heeren afgehouden." Hoe graag had hij zijn liefste deze schande bespaard! Hendrickje droeg haar straf gelaten. Drie maanden later bracht ze haar dochter Cornelia ter wereld. Rembrandt raakte zo verdiept in zijn tekenwerk dat hij alle zorgen vergat. Hij leefde alleen op de ijle aarde die onder zijn tekenpen ontstond...

Rembrandt was zich steeds bewust geweest van het dreigend faillissement. Maar toen de curator voor hem verscheen om zijn boedel te inventariseren was hij de wanhoop nabij. Alle kostbare etsen, schilderijen, pentekeningen, schilden, helmen en kledingstukken die hij in vijfentwintig jaar had verzameld werden naar de Keizerskroon in de Kalverstraat gebracht om te worden geveild. De beste vrienden hadden de kunstenaar in de steek gelaten, de meesten leenden hem ooit geld dat hij hen nimmer terugbetaalde. Het huis in de Breestraat, waar zoveel mooie herinneringen lagen, werd verkocht. Met de trouwe Hendrickje, Titus en Cornelia verhuisde Rembrandt naar een klein huis op de Rozengracht. Titus was opgegroeid tot een jongeman van negentien jaar, die de zaken van zijn vader waarnam. Na enkele jaren waren alle schuldeisers voldaan. Zelfs Geert je Dircks achtervolgde haar vroegere minnaar niet meer om geld; zij was begraven op het armenkerkhof. Op vijfenveertigjarige leeftijd schilderde Rembrandt zichzelf als de apostel Paulus: een man die veel heeft geleden, veel heeft geleerd en ondanks alles zijn trots niet had verloren. De dood van Hendrickje Stoffels in 1663 betekende zijn grootste verlies. Titus trouwde de dochter van een zilversmid en Rembrandt bleef met zijn dochtertje Comelia achter. Nog zachter en warmer werden de tinten die hij op het doek bracht. De dood van Titus maakte van hem voorgoed een oud man. In zijn sterfjaar werden nog twee zelfportretten aan de reeks bestaande portretten toegevoegd. Rembrandts penseel had iedere rimpel, iedere verandering in zijn blik vereeuwigd. Toen lagen zijn handen voorgoed stil. Op 6 oktober van het jaar 1669 overleed de schilder in zijn verstilde huis aan de Rozengracht. Hij werd begraven aan de zijde van zijn zoon Titus en zijn minnares Hendrickje Stoffels. . .

 OmslagSuzanne

OmslagSuzanne      OmslagSophie      omslaghortense      OmslagMarieCornelie

E OmslagSuzanneHistorisch Toerisme Bureau

zilverenkoets2

 Tromplaan 7A 3742 AA Baarn T. 035 5422091 E. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Go to top