'Hoera! Het is zover!' tingelde een zilveren kerstklokje in een kartonnen doos op zolder; 'Het is bijna kerstfeest en dan mogen we weer in de denneboom hangen.'
'Hoi, hoi, hoi' zei de piek die in de watten lag, 'dan mag ik lekker weer in de top van de boom staan.'
'En wij mogen branden,' riepen de kaarsjes aan hun electrische snoer.
Maar toen hielden ze zich allemaal zo stil als muisjes want er was iemand de zoldertrap op geklommen om de kerstversiering te halen. Ze werden allemaal naar beneden gedragen, naar de huiskamer waar het heel licht was. Daar stond de denneboom klaar.
Het deksel van de eerste doos ging open. Een glanzend lantaarntje werd in de takken gehangen. Wat rook de boom heerlijk!
Alle elektrische kaarsjes kregen een plaats in de takken en toen de stekker in het stopcontact werd gestoken straalden ze van plezier: 'Wij branden, oh kijk ons toch eens branden!'
Ook de kerstboomballen, de klokjes, het vogeltje, de zilveren dennenappels en nog veel meer werden met ijzerdraad in de takken gehangen.
Opeens hoorden alle kerstboomversieringen een kinderstem: 'Kijk eens wat ik van oma heb gekregen? Een kerstkabouter voor in de boom. Hang jij hem op? Daar onder dat engeltje naast de grote kerstboombal.'
Nu konden ze hem bijna allemaal zien. Het was een grappige kabouter met een baard van witte watten, blauwe ogen, een puntmutsje en een blauw pakje aan. Hij keek nieuwsgierig om zich heen. Wat een mooie kerstboom. En wat hingen er een mooie dingen in het groen! Toen zag de kabouter het engeltje en zijn wangen werden zo rood als appeltjes. Zij was het mooiste van de hele kerstboom met haar vleugeltjes van goudpapier en een rokje van gaas. Haar lange engelenhaar glansde en er zaten twee glitterdingetjes op haar hoofd. Ze was zo mooi en zo lief dat de kabouter een diep zucht slaakte.
'Wil jij alsjeblieft niet zo naar dat engeltje kijken?' zei een grote, bolle kerstboombal boos.
'Waarom niet?'' vroeg de kabouter, 'Ik vind haar namelijk een schatje en ik hoop dat ze mijn vriendinnetje wil worden.'
'Oh dat gaat mooi niet door!' bromde de kerstboombal, 'ze wordt MIJN vriendinnetje. En bovendien.. jij bent veel te lelijk.'

'Lelijk? Ben ik lelijk?' riep de kabouter, 'dat heb ik nog nooit gehoord.'
'Nou en of je een lelijk kereltje bent, kijk maar eens goed naar je spiegelbeeld. Dan zul je van jezelf schrikken,' bromde de kerstboombal en hij glom boosaardig.
De kabouter bracht zijn gezicht dicht bij de zilveren kerstboombal en keek..
Oei! Wat schrok hij van zijn eigen spiegelbeeld. Hij zag de lelijkste kerstkabouter die je je voor kunt stellen. Zijn neus was zo groot als een aardappel met twee donkere gaten er in. Zijn wangen leken wel balonnen en zijn ogen stonden helemaal scheef. Een piepklein miezerig baardje hing aan zijn kinnetje. Beschaamd sloeg de kabouter zijn handen voor zijn ogen. Hij hoorde de dikke kerstboombal grinniken. De kerstkabouter kroop weg tussen de dennenaalden en liet zich niet meer zien. Hij begreep heel goed dat zo'n mooi engeltje niet zo'n lelijke kabouter als vriendje wilde hebben. Hoe meer hij aan haar dacht des te verliefder werd hij.
Hij hoorde zijn eigen hart, of was het de klok die twaalf uur sloeg? Alles kwam tot leven, er klonken ergens kerstliedjes en het rook naar chocolademelk. Opeens zag hij het engeltje dat over de tak naar hem toe kroop: 'Dag kabouter. Wat zit je daar nou in je uppie? Waarom kom je niet bij ons?'
'Da.. daar ben ik veel te lelijk voor', stotterde hij. 'Vergeet maar dat ik er ben.'
'Lelijk?' zei de engel verbaasd, 'hoe kom je daar nou bij?'
'De kerstboombal zegt dat ik lelijk ben en het is nog waar ook. Want ik heb mezelf goed bekeken. Mijn neus is zo groot als een aardappel met twee donkere gaten er in. Mijn wangen lijken wel balonnen en mijn ogen staan helemaal scheef. Mijn baardje, mijn kabouterbaardje waar ik altijd zo trots op was, hangt miezerig aan mijn kin. Het is heus, echt allemaal verschrikkelijk lelijk.'
Toen begon het kerstengeltje te lachen: 'Oh wat ben jij dom! Als je jezelf wilt zien moet je niet in een kerstboombal kijken. Dan ziet iedereen er gek uit. Ik ook!'
Ze greep zijn hand en trok hem mee naar een tak en ging naast hem zitten. Samen keken ze naar haar spiegelbeeld in de kerstboombal.: 'Zie je wat een gekke snoet ik zo heb?' lachte ze 'Moet je mijn tanden zien!' Ze stak haar tong uit: 'Ha mijn tong lijkt wel een biefstuk!'
De kabouter begon nu ook te lachen om haar rare gezicht. 'Dus ik ben echt niet lelijk?' vroeg hij.
'Natuurlijk niet,' antwoordde ze, 'ik vind jou juist een knappe kerstkabouter. En ik zou best je vriendinnetje willen worden.'
De kabouter werd helemaal rood van blijdschap.
PATS! Klonk het. Dat was de zilveren kerstboombal die knapte van jaloezie en in wel honderd scherfjes op de grond viel.
De kerstkabouter en het engeltje beleefden mooie kerstdagen en toen het feest voorbij was werden ze samen in vloeipapier gewikkeld en in een doos op zolder gelegd. Daar wachten ze een jaar tot het weer kerstmis wordt. En dat jaar kan hen niet lang genoeg duren.
Copyright Thera Coppens
1e publicatie december 1978
