Kun je verliefd worden op een man die je nooit hebt ontmoet? Toen ik op de middelbare school zat werd ik verliefd op Adriaan Roland Holst.

holst

Niet op de man want de 'prins der dichters' was toen al een jaar of vijfenzeventig. Het ging om zijn werk. In zijn gedichten dreven schepen vol gelukzaligen over zee. In de verte lichtte het droomeiland Elysium op waar eeuwige zangen weerklonken. Die wereld op de grens van droom en werkelijkheid was voor mij geschapen. Hij schreef over de zuivere liefde, zonder de banaliteiten die dagelijkse verliefdheden verstoorden. Ik las en herlas de overbekend geworden strofen:

Zwerversliefde:
Laten wij zacht zijn voor elkander kind -
Want o, de maatloze verlatenheden,
Die over onze moegezworven leden
Onder de sterren waaie' in de oude wind.

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
Het trotse hoge woord van liefde spreken,
Want hoeveel harten moesten daarom breken
Onder den wind in hulpeloos verdriet (..)

En ik dacht: 'O, (want Roland Holst schrijft in zijn gedichten ook vele malen o,) gij dichter! Kon ik u maar ontmoeten.' Adriaan, voor vrienden Jany, woonde in het Noord-Hollandse Bergen. Dat plaatsje kende ik goed want mijn vader huurde daar toen ik klein was kamers in een pension. Twee zomerweken lang speelden we onder de hoge sparren stuivertje verwisselen. We wandelden over de geurige dennennaalden van de Eeuwigelaan. Vaak gingen we met de stoomlocomotief Bello naar het strand. De oneindige ruimte boven zee die aan het eindpunt wachtte: dat was voor een Amsterdams kind als ik een verrukking waar je een heel jaar naar verlangde. En dan de avonden als we over de zachte bermen naar het verlichte etablissement 'De Rustende Jager' liepen. Ik dronk chocomel door een papieren rietje. En als we buiten kwamen stond daar dat duistere silhouet van de ruïnekerk in het maanlicht.

bergenruinekerk

Links lag het Huis met de Pilaren. Daar werd bier en jenever geschonken. Misschien heb ik er - volkomen onbewust - de dichter Andriaan Roland Holst op zijn vaste plek bij het venster zien zitten. Altijd in gezelschap van steeds andere dames. Maar dat wist ik toen nog niet.

Al deze beelden kwamen bij me boven toen ik het boek 'Adriaan Roland Holst. Biografie' geschreven door Jan van der Vegt ging lezen. De dichter woonde - met onderbrekingen - van 1921 tot 1966 in Bergen. Een inwoner waar de gemeente nog steeds trots op is. Ze hebben hem geëerd met een bronzen standbeeld in het hart van het dorp. Op een zondagmiddag reden we naar Bergen. Jan van der Vegt die een vriend van ons is, beloofde een biografische Roland Holst-wandeling te maken. Bergen is niet meer wat het vroeger was. Bello is naar een museum verhuist. De Rustende Jager werd wegens ingrijpende verbouwing gesloten. Over de Eeuwigelaan razen auto's en motorfietsen. 's Zomers slenteren er drommen toeristen rond de ruïnekerk. Maar in de winter kun je er nog de rust vinden die de dichter deed besluiten zich er voorgoed te vestigen. Bergen is nog altijd een kunstenaarsdorp, al liggen bekende beeldhouwers, schrijvers en dichters inmiddels op het plaatselijke kerkhof. Het duinendorp heeft sinds 1993 zelfs een eigen museum dat is gevestigd in de statige buitenplaats Huize Kranenburgh ( t/m 12 januari is daarin de tentoonstelling 'Besnyö in Bergen' te zien met foto's van de fotografe Eva Besnyö) met werken van de Bergense School.

We besluiten met de biograaf eerst een duinwandeling te maken over de Verbrandepanweg naar het huisje waarin Herman Gorter - de dichter van 'Mei' - wel logeerde. Onderweg vertelt Jan van der Vegt in grote lijnen het leven van Adriaan, voor vrienden Jany Roland Holst. En tijdens die wandeling valt het geïdealiseerde beeld dat ik sinds mijn tienertijd van de aristocratische 'prins der dichters' had, in scherven.

Adriaan Roland Holst werd op 23 mei 1888 geboren in Amsterdam als zoon van een welgesteld assuradeur. Zijn hele leertijd was er op gericht om in de toekomst eveneens een rol te spelen in het verzekeringswezen. Toen het gezin naar het Gooi was verhuisd wist Jany daar op het nippertje zijn hbs - diploma te behalen. Daarna mocht hij, als zoveel kinderen van rijke ouders, naar Lausanne om een jaar colleges te volgen. Bij terugkeer kreeg hij een functie bij het assurantiekantoor van de firma Roland Holst & Zoon. Zijn loopbaan duurde slechts zes rampzalige weken. Toen was overduidelijk dat Jany niet in de wieg gelegd was voor verzekeringen. Hij vertelde zijn diep teleurgestelde vader dat hij wel letteren wilde gaan studeren in Oxford. Maar toen hij een tijd in Engeland verbleef en als een echte dandy de vreugden van het studentenleven kende, bleek dat hij voor de studie ongeschikt was. Hij werd van het College gestuurd en schakelde over op Political Economy. Het werd vader Roland Holst duidelijk: zijn zoon voerde in Oxford niets uit dat ook maar iets met zijn studie te maken had. Jany sloot zich hele dagen op in de universiteitsbibliotheek om de verzen van Shelley en Keats te lezen. Hij las als betoverd Paradise Lost van Milton en bestudeerde met overgave oude sagen en de Keltische mythologie. In 1908 verraste hij de hele familie Roland Holst - inclusief zijn bekende oom Rik Roland Holst en diens echtgenote, de vermaarde Henriëtte Roland Holst van der Schalk - met de publicatie van maar liefst zeventien gedichten in het blad De XXste Eeuw. Toen vader Roland Holst bedroefd constateerde dat zijn oudste zoon verder niets nuttigs presteerde besloot hij hem voortaan een jaargeld te verstrekken opdat hij zich geheel aan zijn letterkundige werk kon wijden. Het was een edelmoedig en liefdevol gebaar, dat de Nederlandse literatuur heeft verrijkt met een van de grootste dichters van de twintigste eeuw. Bij zijn dood op 6 augustus 1976 te Bergen had de 88-jarige Adriaan Roland Holst een grote hoeveelheid gedichten, prozawerken en vertalingen op zijn naam staan en was zijn werk bekroond met vrijwel alle grote literaire prijzen. Maar wie was deze verafgode dichter?

De biografie is een onthullende en onthutsende opeenvolging van korte en langere romances met meisjes en vrouwen die het dichterspad kruisten. Als jongeman schrok Jany nog voor zijn onbedwingbare lusten en probeerde ze, gekneveld door de toen heersende moraal te onderdrukken. Zijn Gooise geliefden Zus of Bella en de Russische Mânya Baranoff zaten kuis aan zijn zijde naar de ondergaande zon te kijken en konden later hooguit terugdenken aan een voorzichtige kus. In 1920 was Jany echter royaal over alle remmingen heen en schreef aan zijn vriend Greshoff: 'Ik pleeg literatuur en de zonde in montere afwisseling.' Bij sommige vrouwen leidde de snel dovende liefdesvlam van de altijd ontrouwe Jany tot diepe wanhoop. Zo had de vermaarde schilderes Charley Toorop in hem een grote liefde gevonden 'misschien wel dé grote liefde van haar leven' schrijft Jan van der Vegt. Toen Jany haar na een tijd koel bejegende en de voorkeur gaf aan anderen schreef Charley in een brief over zijn 'bittere menselijkheid'. Al pratend komen we met Jan van der Vegt bij het duinenhuis van Herman Gorter, waar Roland Holst hem 's zomers bezocht. Zijn vriendschappen met dichters en schrijvers als J. Slauerhoff, Du Perron, M. Nijhoff, S. Vestdijk, H. Marsman en Lucebert leden niet onder het overspel. Kritiek op zijn levenswijze hadden ze soms wel. Zo schreef Rik Roland Holst in 1918 over het gedrag van zijn neef Jany: '.. hij mist volslagen iedere maatschappelijke moraliteit dankzij zijn verliteratuurde en parasitaire levensopvattingen.'

We parkeren de auto in het dorp en lopen naar de ruïne. De meeste locaties die je als kind hebt bezocht, lijken bij een weerzien gekrompen. Maar Bergen is veel uitgebreider dan in mijn jeugdherinnering. Je kunt je nauwelijks oriënteren tussen de slingerpaden en zwarte bosbeken. Ze lijken allemaal op elkaar met hun hekken en bruggetjes van ruwe boomstammen. De Meerwijk werd gebouwd door bekende architecten van de Amsterdamse school. Ze hebben er de vreemdste architecturen geplaatst: hoog opgestapelde bakstenen burchten met rieten daken en piepende tuinhekken. Jan van der Vegt vertelt op weg naar het voormalige woonhuis van de dichter, dat hij tijdens zijn onderzoek schoenendozen vol foto's van vrouwen en meisjes vond. Van velen zijn de namen bekend: daar poseert Zus Blom met een enorme hoed vol kunstbloemen, hier zit Pop Ensink in een wit jurkje aan Jany's voeten. Nel heeft met haar elegante wandelstok iets van een femme fatale wat ook mag gelden voor Hermine, Corinne, Raymonde. Mies is verleidelijk, Asta pittig. Er staan in de biografie ook namen zonder foto's: de vage Windy met wie hij zijn achtentwintigste verjaardag in een hotel in Bergen aan Zee vierde, Enny, Riti, Trees, Maartje, Oda, Mitja, Suzette, Nel. Geen wonder dat de dichter op een dag afgestompt raakte voor de liefde. In Bergen en op reis door Europa en Zuid-Afrika had hij zoveel sexuele contacten, dat de noodlottige gevolgen niet uit konden blijven. Van der Vegt beschrijft in zijn biografie de behandelingen in een kliniek in Nice uiterst kies. Maar je vraagt je toch af hoeveel problemen al die minnaressen in het pil-loze tijdperk door Roland Holst hebben gehad? Hoeveel onbekende nazaten heeft Jany, die van de prins geen kwaad leek te weten? We slaan rechtsaf en komen bij het beroemde huis aan de Nesdijk aan de rand van Bergen, dat hij in 1921 betrok. Zijn vader had het voor hem laten bouwen. Daar ontstond o.m. de vele malen herdrukte bundel 'Een winter aan zee'. Voordat de bejaarde dichter de Bergense verzorgingsflat Frankenstate betrok, schonk hij de Nesdijkwoning aan zijn buurvrouw en geliefde. Ze heeft zijn ooit zo verwilderde tuin mooi verzorgd en de heg fantasievol in de vorm van kantelen geknipt.

Voor het donker wordt rijden we nog naar het kerkhof, dat terecht het Père Lachaise van Noord-Holland genoemd wordt. Daar vinden we op een gure hoek in de wind het rotsblok dat de laatste rustplaats van Adriaan Roland Holst markeert. Jan van der Vegt heeft naast zijn biografie een chronologisch gerangschikte bundel liefdesgedichten samengesteld. Van Jany's vroegste minne-gestamel tot de verliefde woorden van een 83-jarige. De titel van de bundel koos hij uit een vers dat Roland Holst in 1941 schreef voor Mies Peters. Deze geliefde bedroog hem even vaak als hij haar. 'Hoe konden wij, in den ontrouwen wind geboren,/ elkander anders trouw zijn, kind, dan in ontrouw?' luiden de eerste regels van dit vers. Als titel voor de bundel koos de biograaf daarom 'Trouw in ontrouw'. Deugd en ondeugd verenigd. Net als in de dichter Adriaan Roland Holst wiens grafschrift een antwoord vormt op al mijn vragen: 'Wat was is geweest'.

 

Copyright Thera Coppens

 OmslagSuzanne

OmslagSuzanne      OmslagSophie      omslaghortense      OmslagMarieCornelie

E OmslagSuzanneHistorisch Toerisme Bureau

zilverenkoets2

 Tromplaan 7A 3742 AA Baarn T. 035 5422091 E. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Go to top